Reizen met Charley van John Steinbeck

Over boeren en zeemannen: Reizen met Charley

Dagdromen

Een goede vriend tipte mij de roman Travels with Charley: In Search of America van John Steinbeck. Ik las de vertaling van Tineke Funhoff – Reizen met Charley. De tip was – uiteraard – een aansporing om samen meer van de wereld te gaan zien. Amerika, U.S. Route 66, staat al sinds onze studententijd hoog op de verlanglijst. TVR, dat staat voor Tokyo, Vegas en Rio – ook een wens – is van een andere orde, want die trip – het kan trouwens ook een andere afkorting zijn met andere plaatsnamen – hoort volgens de uitdaging afgewerkt te worden met de gehaastheid van een parvenu.

Adam – mijn vooralsnog jongste – is nu twee jaar en een paar maanden oud. Dat laat mij voorlopig slechts dagdromen over het maken van verre reizen.

Gaanders en Staanders

Het verlangen naar weggaan of ontdekken is niet bij iedereen hetzelfde. Ik onderscheid twee hoofdtypes: ‘gaanders‘ en ‘staanders‘. Voor nomaden – ‘gaanders’ – vormden het zoeken naar voedzame weidegronden voor hun kuddes een reden om steeds maar verder te trekken. Kosmopolieten zijn ‘gaanders’ maar geen nomaden. Het is niet de kudde die hen drijft, maar hun ego. Kosmopolieten voelen zich overal en nergens thuis. Dat het gras aan de overkant groener kan zijn, is reden genoeg dat te onderzoeken. ‘Fear of missing out’ – fomo – zoeken naar bevrediging die niet intrinsiek in henzelf te vinden is. De ‘gaander’ heeft bindingsangst vanuit een sluimerend ontevredenheidsgevoel.

De staander houdt van de grond waaraan hij gehecht is, waarmee hij zich geaard weet. Het is ‘eigen’ en voelt als thuis. Waarom zou je ergens anders heen gaan als je weet dat je het nergens anders zo goed zult hebben als thuis? De ‘staander’ heeft hooguit last van verlatingsangst. Hij staat wantrouwend tegenover wispelturige types, tegen het vreemde, laat staan dat hij er zich ermee wenst te verbinden.

Boeren en zeemannen

Een zeeman verlangt naar de zee zodra hij thuis is en verlangt naar huis al vanaf het moment dat de haven uit zicht is. Een zeeman is ontevreden, verlangt naar iets anders, behalve op de kortstondige momenten met de haven in zicht, afvarend of inlopend.

Als kind wilde ik boer worden, liefst met een zo’n groot aantal melkkoeien dat ik ze nog maar net op een dag gemolken kon krijgen. Daarnaast droomde ik van de grote vaart, weken alleen maar zee zien zonder land. Zowel boer als zeeman hebben eenzaamheid met elkaar gemeen, zijn vaak stug en ontoegankelijk. Wellicht daarom vind ik ze ook mannelijk stoer. Beide ben ik nooit geworden. Na het herlezen van In de bovenkooi van J.M.A. Biesheuvel, beangstigde mij het idee om aan te monsteren als ketelbink (daarvoor ben ik inmiddels ook te oud) of lichtmatroos, vanwege de reële kans door bootsmannen of stuurmannen – ter ontgroening – ongenadig hard op mijn lazerij te krijgen.

Casanova of donjuan

Wat zoekt de pathologische reiziger? Vervult iedere nieuwe bestemming slechts het genoegen van het afvinken, vergelijkbaar met de postzegelverzamelaar die weer een nieuwe serie compleet krijgt, of de vliegtuigspotter die tevreden een vluchtnummer van een vertrekkend of aankomend toestel in zijn schriftje bij kan schrijven? Is het de drang om ergens grip op te krijgen, een controlebehoefte die alleen bevrediging vindt bij iets compleet kunnen maken? Wil de reiziger de wereld en de mensen beter begrijpen, of zoekt hij voortdurend – en vergeefs – naar de ultieme schoonheid en onvoorwaardelijke liefde? Reis je als casanova waar de kunst van het reizen – versieren – voorop staat, of als donjuan, waarbij het om het aankomen gaat, het afvinken – de verovering – de tamelijke leegheid die uitgaat van: ‘been there done that.

Mijn mooiste herinnering aan New York was een serveerster van een restaurant die mij begroette met ‘Hey you again.‘ Ik was er inderdaad twee dagen eerder ook. Het zal mij vast definiëren als een ‘gaande staander‘. De skyscrapers met hun oneindige  hoeveelheid werkplekken. De een zal zich bij het zien van zoveel groots en meeslepends ‘king of the universe’ voelen, de ander – ik – eenzaam en verloren.

Reizen met Charley

Het is een roadtrip door de Verenigde Staten. Een poging van John Steinbeck om het échte Amerika en zijn inwoners te begrijpen. In zijn roman maakt Steinbeck zijn reis samen met zijn zwarte poedel Charley in een omgebouwde pick-up truck Rocinante – vernoemd naar het paard van Don Quichot.

De tocht begint in Long Island (New York) en loopt via Maine naar de graanvelden van het Midden-Westen. Via Montana reist hij naar de westkust. Via zijn Salinas in Californië – zijn geboortegrond keert hij via Texas en het diepe Zuiden terug naar New York.

Een reisverhaal is veel ingewikkelder om te maken dan een roadmovie. Als een plaatje meer zegt dan duizend woorden dan zou Steinbecks roman slechts goed zijn voor zo’n vijf tot zes plaatjes. Het is ingewikkeld om de natuur en mensen in reis van bijna 16.000 kilometer beeldend te beschrijven, zeker in minder dan 60.000 woorden.

Behalve dat het Steinbeck toch lukt om het verlangen naar reizen te verhevigen – tegelijkertijd koester ik ook alle keren dat ik aan het eind van de middag mijn zoontje ophaal van de crèche – zijn het vooral zijn cynische beschrijvingen van de mensen die hij ontmoet, waarmee ik me bijzonder heb vermaakt.

De jagers

Er zijn gebruiken, standpunten, mythen en denkrichtingen en veranderingen die deel uit lijken te maken van de structuur van Amerika. En ik wil ze bespreken in de volgorde waarin ze zich het meest aan me opdrongen. Tijdens die besprekingen moet u zich mij voorstellen terwijl ik over een weggetje zoef of stilsta bij een brug, of een grote pan limabonen met gezouten varkensvlees aan het klaarmaken ben.

En het eerste heeft te maken met jagen. Daar kon ik me, al had ik het gewild, niet aan onttrekken, want het jachtseizoen geeft glans aan de herfst. We hebben veel standpunten van onze recente voorouders geërfd die met dit continent hebben geworsteld zoals Jakob met de engel en de pioniers hebben gewonnen. Van hen hebben we het geloof overgenomen dat elke Amerikaan van nature een jager is.

En elke herfst maken heel veel mannen zich op om te bewijzen dat ze zonder talent, training, kennis of oefening onfeilbare schutters zijn met buks of geweer. De resultaten zijn angstaanjagend. Vanaf het moment dat ik uit Sag Harbor vertrok, schoten de geweren op wegtrekkende eenden, en toen in door Maine reed, zouden de geweerschoten in de bossen zelfs veel roodrokken [spottende benaming voor een Brits soldaat] hebben afgeschrikt zolang ze geen idee hadden wat er aan de hand was.

Dit zal me wel een slechte naam als jager bezorgen, maar laat ik meteen zeggen dat ik niets heb tegen het doden van dieren. Ze moeten toch ergens aan doodgaan. In mijn jeugd kroop ik vaak kilometers lang op mijn buik door de ijzige wind, zuiver en alleen vanwege de sensatie om een meerkoet neer te knallen, die zelfs als je hem in zout water weekt niet te eten is. Ik geef niet veel om hert of beer of eland, afgezien van de lever. De recepten, de kruiden, de wijn, alle voorbereidingen die je moet treffen voor een goede hertenschotel zouden een ouwe schoen nog tot een uitgelezen hapje maken.

Als ik honger had, zou ik met plezier alles wat rent, kruipt of vliegt achtervolgen, zelfs familieleden, om ze met mijn tanden te verslinden. Maar het is geen honger die miljoenen gewapende Amerikaanse mannen elke herfst de bossen en heuvels in drijft, zoals het hoge aantal hartaanvallen onder de jagers bewijst.

Op de een of andere manier heeft de jacht te maken met mannelijkheid, maar ik weet niet precies hoe. Ik weet dat er heel wat goede, efficiënte jagers zijn die weten wat ze doen; maar veel meer jagers zijn te dikke heren, volgegoten met whisky en gewapend met krachtige geweren. Ze schieten op alles wat beweegt of eruitziet alsof het zal gaan bewegen, en het succes waarmee ze elkaar doodschieten zou wel eens een bevolkingsexplosie kunnen voorkomen. Als de slachtoffers beperkt zouden blijven tot hun eigen soort zou het geen probleem zijn, maar de slachting die wordt aangericht onder koeien, varkens, boeren, honden en verkeersborden maakt de herfst tot een gevaarlijk seizoen om in te reizen.

Een boer in het noorden van de staat New York schilderde het woord KOE in grote, zwarte letters op beide flanken van zijn witte herkauwer, maar de jagers schoten haar toch dood. Op het moment dat ik door Wisconsin reed, schoot een jager zijn eigen gids tussen de schouderbladen. De rechter van instructie die deze nimrod [fervent jager of een groot liefhebber van de jacht] ondervroeg zei: ‘Dacht u dat het een hert was?’

‘Ja dat dacht ik meneer.’

‘Maar u wist niet zeker of hij een hert was.’

‘Nee, meneer. Ik denk het niet.’

Met al dat spervuur in Maine was ik natuurlijk bang dat ik gevaar liep. Op de eerste dag werden vier auto’s getroffen, maar ik maakte me voornamelijk zorgen om Charley. Ik weet dat een poedel in de ogen van die jagers heel veel op een hertenbok lijkt, en ik moest een manier vinden om hem te beschermen. In Rocinante lag een doos rode Kleenex die iemand me cadeau had gegeven. Ik omwikkelde Charleys staart met rode Kleenex en bond het vast met elastiekjes. Elke morgen vernieuwde ik zijn vlag en hij droeg hem de hele dag in het westen, terwijl de kogels ons gierend om de oren floten.

Dit is niet grappig bedoeld. De radiostations waarschuwden tegen het gebruiken van een witte zakdoek. Te veel jagers die een witte flits zagen, hielden die voor de staart van een rennend hert en genazen zo met één schot een neusverkoudheid.

Maar deze nalatenschap van de pioniers is niets nieuws. Toen ik als kind op de ranch bij Salinas, Californië, woonde, hadden we een Chinese kok die er zijn voordeel mee deed. Op een bergkam in de buurt lag een omgevallen stam van een esdoorn, ondersteund door twee afgebroken takken. Dat gevlekte, lichtbruine stuk hout trok Lee’s aandacht omdat er kogelgaten in zaten. Hij spijkerde een gewei aan het ene eind en trok zich vervolgens terug in zijn hutje tot het jachtseizoen voorbij was. Daarna verzamelde hij het lood uit de oude boomstam. Sommige seizoenen was dat wel vijfentwintig, dertig kilo. Het was geen fortuin, maar het was een extraatje. Na een jaar, toen de boom helemaal aan flarden was geschoten, verving Lee hem door vier juten zakken met zand en hetzelfde gewei. Toen was het nog gemakkelijker om zijn oogst binnen te halen. Als hij er vijftig had neergelegd, had hij rijk kunnen worden, maar lee was een bescheiden man die niets zag in massaproductie.

Ironisch-realisme en absurdisme

Een schrijfstijl die ik ironisch-realisme zou noemen en min of meer ook herken in een van mijn favoriete romans – Vallende ouders van A.F.Th. van der Heijden, waar ik ook een blog over schreef. Eén zo’n kenmerk is het verstoppen van één of meer absurditeiten in een verder best voorstelbare opsomming, waarmee het absurde realistisch wordt en zo het beeld van hopeloosheid versterkt.

Steinbeck doet het met:

Als de slachtoffers beperkt zouden blijven tot hun eigen soort zou het geen probleem zijn, maar de slachting die wordt aangericht onder koeien, varkens, boeren, honden en verkeersborden maakt de herfst tot een gevaarlijk seizoen om in te reizen.

Van der Heijden doet het met:

De camping (capaciteit vijfduizend tenten) had een groot onbezoldigd leger van uitsluitend jongens in dienst – allemaal tussen de negen en twaalf jaar oud. Ze droegen verplicht, een hemelsblauw T-shirt met daarop een stier in actie en de naam van de camping: El Toro Bravo. Het waren er zeker tweehonderd. Je moest uitkijken niet op ze te trappen, want ze zaten overal. De jongens werden voor alles gebruikt: vuilnis ophalen, verstopte plees ontstoppen, nieuwkomers wegwijs maken, bedienen op de terrassen, de kampwacht afrukken, klappen in ontvangst nemen… ze vlogen. Hun haat had nog net geen ratten van ze gemaakt – dat kwam nog wel.

Eenzaamheid en seksime

Beschrijven van melancholie en eenzaamheid doen schrijvers veel, maar zelden zo treffend en verrassend als Steinbeck met zijn eerste regel in de volgende passage:

De opzichter van het meer was een eenzame man, des te meer omdat hij een vrouw had. Hij liet me haar foto zien in een plastic vakje in zijn portefeuille, een vrij knap, blond meisje dat haar best deed om er net zo uit te zien als de meisjes op de foto’s in tijdschriften, een meisje dat dol was op thuispermanenten, shampoos, kleurspoelingen, gezichtscrèmes. Ze vond het vreselijk om in wat zij ‘de rimboe’ noemde te wonen, verlangde naar het heerlijke, luxe leven in Toledo of South Bend. De glanzende pagina’s van Charm en Glamour vormden haar enige gezelschap. Uiteindelijk zou de, al mokkend, haar zin krijgen. Haar man zou een baan krijgen ineen of ander groot, galmend organisme van de vooruitgang, en daarna zouden ze nog lang en gelukkig leven. Dit sprak allemaal uit kleine, zijdelingse uitschieters in de conversatie. Zij wist precies wat ze wilde en hij niet, maar wat hem ontbrak, zou zijn hele leven in hem blijven schrijnen. Nadat hij was weggereden in zijn jeep stelde ik me in gedachten zijn toekomstige leven voor en dat hulde me in een mist van wanhoop. Hij wilde zijn knappe vrouwtje en hij wilde nog iets en allebei kon hij niet krijgen.

Het was een eenzame man, des te meer omdat hij een vrouw had. Meer heb je toch niet nodig? Een pareltje. Vandaag de dag zal het zeker door velen als tamelijk seksistisch worden bestempeld. Voor veel mannen, die hunkeren naar rust, eenvoud en bewondering, zal het een feest der herkenning zijn, de ultieme verbeelding van onmacht. In Nocturne voor Messina – ook in mijn tweede roman – is deze onmacht om het van vrouwen te winnen een belangrijk thema. Mijn protagonisten zijn antihelden, niet eendimensionaal, ze pogen met seks en fraude er nog wat van te maken. Mannen zijn lone wolf en lonely wolf, en de vrouwen zijn in mijn romans dan wel geen spilzuchtige, verveelde luxe poezen, ze hebben wel gemeen dat ze hun saaie mannen in de kern vooral minachten.

Het is een verwarrende tijd – al heb ik een enorme hekel aan dat platgeslagen woord, des te meer omdat alles tegenwoordig verwarrend is. Onder een als tamelijk dwingend ervaren ‘Diversiteit, Gelijkheid en Inclusie’-activisme zien we polarisatie en verwijdering tussen hoog opgeleide vrouwen en mannen verder toenemen, de laatste voelen zich steeds vaker als een homogene groep van daders weggezet. De nacht is opgeëist. Je moet wel een schoft zijn als je niet aanvoelt dat het een schreeuw is die uiting geeft aan de behoefte ’s nachts ook veilig te kunnen zijn. Ingewikkeld is de vraag wie er precies wordt aangesproken. Ongemakkelijk is dat het de suggestie in zich heeft, mannen als een homogene groep daders weg te zetten. Het brengt een oplossing niet dichterbij.

Charley en de beren

Het reizen samen met Charley – de poedel – is een creatieve manier waarmee Steinbeck op willekeurige momenten een betoog kan afbreken en tempo in het verhaal kan aanpassen. Een hond laat zich – net als in het echte leven – weinig gelegen liggen aan goede timing.

Steinbeck bezoekt Yellowstone National Park ondanks zijn afkeer van nationale parken. Hij acht Yellowstone National Park net zo representatief voor Amerika als Disneyland. Bij de ingang van het park waarschuwt de parkwacht hem voor de beren omdat die nogal onverdraagzaam zijn naar honden en dus naar Charley.

Minder dan anderhalve kilometer van de ingang zag ik een beer naast de weg, en hij kuierde naar me toe alsof hij me aan wilde houden. Het bracht meteen verandering in Charley teweeg. Hij brulde van woede. Zijn lippen trokken zich terug waardoor hij de kwaadaardige tanden liet zien die soms moeite hebben met een hondenbrokje. Hij krijste beledigingen naar de beer, die zich toen hij ze hoorde, verhief en groter leek dan Rocinante.

Ik draaide als een razende de raampjes dicht, reed snel naar links zwaaiend rakelings langs het beest en scheerde weg, terwijl Charley naast me raasde en tierde en in detail beschreef wat hij de beer zou aandoen als hij hem te pakken kon krijgen. Ik was van mijn leven nog nooit zo verbaasd geweest. Naar mijn beste weten had Charley nog nooit een beer gezien, en in zijn hele bestaan had hij altijd grote tolerantie aan de dag gelegd voor alles wat leeft. Nog afgezien daarvan is Charley een lafaard en zijn lafheid is zo diepgeworteld dat hij een techniek heeft ontwikkeld om die te verhullen. En toch vertoonde hij alle tekenen dat hij eruit wilde komen om een beer te vermoorden die duizenden keer zwaarder was dan hij. Ik begreep het niet.

Ietsje verder doken er twee beren op, en het effect werd verdubbeld. Charley werd een maniak. Hij sprong over me heen, hij vloekte en grauwde, gromde en brulde. Ik wist niet dat hij in staat was om te grommen. Waar had hij dat geleerd? Er waren beren te over en de weg werd een nachtmerrie. Voor het eerst in zijn leven was Charley niet voor rede vatbaar., zelfs niet voor een tik op zijn oor. Hij werd een primitieve moordenaar, belust op het bloed van zijn vijand, en tot op dat moment had hij geen vijanden gehad. Op een beerloos stuk opende ik mijn cabine, nam Charley bij zijn halsband en sloot hem op in het huis. Maar dat hielp niet. Toen we andere beren tegenkwamen, sprong hij op de tafel en kraste tegen de ramen in een poging om bij ze te komen. Ik hoorde blikken voedsel op de grond vallen terwijl hij worstelde met zijn waanzin.

Beren brachten simpelweg de Hyde in mijn Jekyll-koppige hond naar boven. Wat kon de oorzaak zijn> Was het aangeboren herinneringen aan de tijd dat er nog een wolf in hem school? Ik ken hem goed. Zo nu en dan probeert hij te bluffen, maar dat is duidelijk een leugen. Ik zweer dat dit geen leugen was. Ik ben er zeker van dat hij, als ik hem had losgelaten, elke beer die we passeerden had aangevallen en was doorgegaan, de dood of de gladiolen.

Het was zenuwslopend, een schokkend schouwspel, alsof je een oude, kalme vriend krankzinnig ziet worden. Geen enkel natuurlijk wonder, geen steile kliffen en spuwende stromen, geen dampende bronnen, konden mijn aandacht vasthouden terwijl dat pandemonium voortduurde. Na ongeveer de vijfde ontmoeting gaf ik het op; ik keerde Rocinante en reed terug. Ik durfde niet te denken aan wat er gebeurd zou zijn als ik gestopt was voor de nacht en er beren waren gekomen terwijl ik aan het koken was.

Bij het hek schreef de parkwacht me uit. ‘U bent niet lang gebleven. Waar is de hond?’

                ‘Achterin opgesloten. En ik ben u een excuus schuldig. Die hond heeft de hart en de ziel van een berendoder en dat wist ik niet. Tot nu toe heeft hij zich alleen wat gevoelig getoond voor een te rauwe biefstuk.’

                ‘Ja!’ zei hij. ‘dat gebeurt soms. Daarom waarschuwde ik u. Een berenhond weet welke kans hij maakt, maar ik heb wel eens een dwergkees als een rookpluimpje de lucht in zien gaan. Een flinke beer kan een hond wegslaan als een tennisbal, weet u.’

Ik reed snel terug zoals ik gekomen was, en ik had geen zin om te kamperen uit angst dat er nog onofficiële beren rondliepen die niet onder de staat vielen.

Een passage waarin Steinbeck de poedel Charley beschrijft – eerder als mens dan als dier –  met een liefde die ik ook tegenkwam in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan van  Milan Kundera – mijn vooralsnog favoriete roman. Ik schreef een blog over die roman met ook specifiek aandacht voor die passage. Het verlies van een huisdier ligt vaak gevoelig wat extra wordt gecompliceerd door onbegrip uit de omgeving – ‘Sorry, het is maar een dier.’

Een N-woord zit bij u in de auto

Als Steinbeck in New Orleans aankomt, merk je pas goed dat de roman zich in de jaren zestig van het vorige millennium afspeelt waar rassensegregatie een heftig thema is.

De pompbediende die mijn tank vulde, en wiens vingers blauw zagen van de kou, keek naar Charley en zei: ‘Hé, het is een hond! Ik dacht dat er een nikker bij u in de auto zat.’ En hij lachte opgetogen. Het was de eerste van vele herhalingen. Ik hoorde het minstens twintig keer: ‘Ik dacht dat er een nikker bij u in de auto zat.’ Het was een vreemde grap – telkens weer nieuw – en nooit negro, of nigra, altijd nigger of zelfs niggah. Dat woord leek enorm belangrijk, een soort woord waar je je voor de veiligheid aan vasthoudt voor het geval er iets zou instorten.

Het n-woord mag je vandaag de dag – gelukkig – niet straffeloos meer gebruiken. Ik heb weliswaar een hekel aan regeltjes en verboden, maar bovenstaande passage las ook ik met weerzin. Dat is omdat het geen verzinsel is, maar omdat het in die tijd helaas er zo racistisch aan toeging.

Uitgebreid beschrijft Steinbeck over een jong zwart meisje, Ruby Bridges, heeft politiebescherming nodig om naar school te gaan. In een dagelijkse show die veel publiek trekt wordt het meisje voortdurend beschimpt en uitgejouwd. Nog bruter en beestachtiger is het geschreeuw als een blanke vader – een van de weinige blanke vaders – arriveert om zijn (blanke) kind naar school te brengen. Als Steinbeck op weg is om getuige te zijn van het dagelijkse protest – in kranten en op tv worden de scheldwoorden weggelasten – volgt een conversatie met een taxichauffeur waar de honden ook al geen brood van lusten.

‘Waar komt u vandaan?’ vroeg de taxichauffeur, volstrekt ongeïnteresseerd.

                ‘Liverpool.’

                ‘Engelsman, hè? Nou dat zit wel goed. Het zijn die rotjoden uit New York die alle ellende veroorzaken.’

                Ik merkte meteen dat ik met een Brits accent begon te praten, maar niet een uit Liverpool. ‘Joden – waarom? Hoezo veroorzaken zij ellende?’

                ‘Nou, kijk meneer. Wij weten heel goed hoe we dit moeten aanpakken. Iedereen is tevreden en kan goed met elkaar opschieten. Ik ben zelfs erg gesteld op negers. En dan komen die rotjoden uit New York de negers een beetje opstoken. Als ze nou gewoon in New York bleven, was er niks aan de hand. Ze zouden ze onschadelijk moeten maken.’

                ‘Lynchen, bedoelt u?’

                ‘Zo is het maar net, meneer.’

                Hij liet me eruit en ik ging op weg. ‘Probeer niet te dichtbij te komen, meneer,’ riep hij me na. ‘Geniet ervan, maar bemoeit u zich er niet mee.’

                ‘Bedankt,’ zei ik en liet het ‘enorm’ nog net weg.

Onder alle ellende in het Midden-Oosten is verdraagzaamheid ook bij ons ver te zoeken. Je wordt schuldig gevonden op basis van je afkomst. De mens is een bloeddorstig wezen met de dringende behoefte groepen strikt in te delen in slachtoffers en daders. Er zijn leiders en meelopers. Sommige leiders handelen niet uit ideologie of overtuiging, maar om gezien te worden, vanuit de behoefte aan aandacht. Steinbeck verwoordt zijn emoties op de demonstraties tegen het schoolgaande donkere meisje als volgt:

                Misschien werd ik er daarom wel zo zwaarmoedig en misselijk van. Hier ging het niet om goed of slecht, niet om een principe. Die viswijven met hun kleine hoedjes en hun knipsels hunkerden naar aandacht. Ze wilden bewonderd worden. Ze namen hun triomf met een opgetogen, bijna onschuldige grijns in ontvangst als ze toegejuicht werden. Ze waren zo gestoord en wreed als egocentrische kinderen, en op een of andere manier maakte dat hun ongevoelige beestachtigheid nog hartverscheurender. Dit waren geen moeders, niet eens vrouwen. Het waren krankzinnige actrices die optraden voor een krankzinnig publiek.

Ik moest denken aan een passage uit het zesde deel, De Grote Mars uit De ondraaglijke lichtheid van het bestaan van Milan Kundera. Een tocht die zogenaamd was omwille van het genezen van doodzieke Cambodjanen, maar die grotendeels wordt opgeëist door actrices die deugdzaam doen zodra ze snorrende camera’s op zich gericht weten. De vergelijking gaat uiteraard verder mank omdat de viswijven met hun kleine hoedjes een verwerpelijk motief voor hun acteer-act hebben. In mijn blog schreef ik ook over De kitsch van het deugen.

Kritiek op Reizen met Charley

Net zo consequent als dat Steinbeck snelwegen vermijdt, doet hij dat met beschrijven van expliciete lichamelijke handelingen. Zijn vrouw Elaine bezoekt hem in Chicago ergens halverwege zijn reis. Zij nemen een hotel, de poedel Charley wordt even ondergebracht een hondenpension. Wat John en Elaine samen uitspoken mag de lezer raden – een niet zo moeilijk raadseltje.

Het schijnt dat Elaine in werkelijkheid op meer dan de helft van de tocht John vergezeld heeft. Dat levert kritiek op Reizen met Charley van lezers en recensenten omdat de roman de illusie wekt dat Steinbeck de reis alleen met Charley maakte.

Soms vraag ik mij af of Steinbeck zichzelf soms herkende in de opzichter – een eenzame man, des te meer omdat hij een vrouw had. Een roman is een roman, wie verplicht de schrijver om niet van alles en nog wat erbij te mogen fantaseren? Nou ja, hoe meer een roman de suggestie wekt autobiografisch te zijn, hoe ingewikkelder het wordt. Wellicht geldt dat in het bijzonder voor reisverhalen omdat er altijd lezers zijn die zo’n reis willen nadoen om zich zo extra verbonden te voelen met de schrijver en zijn werk. Als dan blijkt dat het grotendeels verzonnen was, geeft dat vast een unheimisch gevoel.

 

Journalist en historicus Geert Mak besloot vijftig jaar na Steinbeck de reis te herhalen en schrijft het reisverhaal Reizen zonder John. Ik weet niet of Mak toen al wist dat Steinbeck een flink deel geromantiseerd had. In het artikel Schim met stofkam uit NRC – een recensie van Reizen zonder John – lees je dat het reisverslag van Steinbeck meanderend en warrig is en dat het Mak voor een probleem stelde omdat Steinbecks reis moeilijk is om na te volgen.

Steinbeck was aan het jakkeren op amfetamine en vermeed eerder het contact met Amerika dan dat hij het zocht. Vele ontmoetingen onderweg zijn waarschijnlijk uit zijn dikke schrijversduim gezogen.

Tja, dat verraadt teleurstelling en suggereert ook alsof de ontmoetingen nooit zo zouden hebben kunnen zijn. Vijftig jaar later is de tijd anders. Zo’n bewering lijkt mij onmogelijk hard te maken. Geen reden – wat mij betreft – om niet van Steinbecks roman te genieten.

Ander werk van John Steinbeck

Het boek dat steevast wordt gerekend tot de absolute literaire top is The Grapes of Wrath (in het Nederlands vertaald als De druiven der gramschap). Dit meesterwerk uit 1939, bekroond met de Pulitzerprijs, is opgenomen in prestigieuze lijsten van de 100 beste boeken aller tijden. Van muizen en mensen (oorspronkelijke titel: Of Mice and Men) is een novelle gepubliceerd in 1937 en was het eerste werk dat Steinbeck – de latere Nobelprijswinnaar – erkenning bracht.